
De foute jongeman hoorde de bel van het einde van het lesuur amper, zo ging hij in zijn verhaal op, maar toen docent Bosch met uitgestoken hand naar zijn tafel liep, zei hij verontschuldigend: ‘Ik moet het eerst nog afschrijven.’
‘Dat kan ook een volgende keer,’ zei Bosch, terwijl hij de papieren bijeen probeerde te scheppen.
‘Maar ik heb hierna nog een uur vrij!’
‘Akkoord,’ zei Bosch met een grijns. ‘Maar ik wil het voor het einde van de dag hebben.’
De jongen graaide zijn vellen bijeen, pakte nog wat lege vellen van het bureau van Bosch en haastte zich naar de kantine om daar verder te schrijven.
Alles was nog lichtroze in de hemel toen Petrus hem aan zijn arm trok om hem wakker te schudden, zodat ze op weg konden naar de niet nader omschreven locatie. Het leek minstens een uur vliegen te zijn voordat ze hun bestemming bereikten en Petrus hem aangaf te landen, maar er was geen wolk, niets, alleen veel lichtroze dat langzaam veranderde in lichtblauw. Het was doodeng om daar te landen, maar hij vertrouwde op Petrus en voelde inderdaad houvast, waarna hij rechtop ging staan. Daar stonden ze dan met z’n tweeën in het absolute niets.
‘Even geduld,’ zei Petrus.
Heel langzaam, alsof onzichtbare mist optrok, kwam een oude troon in beeld en meteen daarna een kleine tafel met daarop een fles Johnny Walker Black Label en een kristallen glas dat schitterde in het ochtendlicht. Maar geen God. Dat duurde nog minstens tien minuten en toen pas verscheen Hij in de troon, een beetje zoals beeld op oude televisies verscheen wanneer je ze aanzette. Eerst een van links naar rechts zwabberend beeld dat nog even om de eigen as draaide voordat het scherp werd en God een luide boer liet die tot in de verte te horen moest zijn geweest.
God zat er wat terloops bij alsof hij geen idee had waarom hij moest verschijnen. Hij droeg een T-shirt dat minstens twee maten te klein was, waardoor zijn navel en een deel van zijn imposante buik zichtbaar werden. Op zijn T-shirt stond iets onleesbaars in het Ivriet met een hartje erbij. Hij droeg een zwarte trainingsbroek, maar geen schoenen. Zijn lichaam bleek bijzonder behaard te zijn, alleen zijn schedel was kaal en zijn wangen waren vers geschoren.
‘Met wie heb ik de eer?’ vroeg hij, terwijl hij zich een glas volschonk dat hij in één teug leegde.
De journalist stelde zich voor, sloeg zijn notitieblok open en alle vragen leken nergens meer op te slaan nu hij zo naar het Opperwezen keek, maar hij begon toch maar met vragen.
‘Er zijn mensen die beweren dat u niet het heelal heeft geschapen in een week, maar dat er een grote oerknal heeft plaatsgevonden?’
Scheel kijkend naar zijn lege glas bleef het Opperwezen zwijgen, totdat Petrus hem bijschonk.
‘Ja, daar heb ik over gehoord. Iets met materie en antimaterie, een uiterst modieuze theorie, die zomaar waar zou kunnen zijn, vindt u niet?’
Dat antwoord had de journalist niet verwacht en het ergerde hem tegelijkertijd ook een beetje. Maar om niet onbeleefd over te komen zei hij: ‘Ja, het is denkbaar.’
‘Daar zegt u een mooi woord: denkbaar!’ Hij liet opnieuw een boer en zei: ‘In principe zijn we allemaal denkbaar. U, ik en die vermeende rots onder de kerk van de ketters die wij hier Petrus noemen. Maar aan het denkbare gaat het denken vooraf en dat is een mysterie waarvan u de omvang duidelijk nog niet kunt bevatten.’
Het Opperwezen bulderde van het lachen, waardoor hij een beetje moest kwijlen. Hij veegde dat af met de onderste rand van zijn T-shirt, waardoor de journalist ruim uitzicht kreeg op zijn dikbehaarde borst.
Dit gaat de verkeerde kant uit, dacht de journalist. Het laatste wat hij wilde was een filosofische discussie. De lezers moesten concrete vragen en antwoorden hebben en wat is er nu concreet aan filosofie?
Met de overtuiging licht te provoceren stelde hij de volgende vraag.
‘Er zijn mensen die beweren dat er duizenden goden zijn en dat u er slechts een bent.’
Het Opperwezen zweeg, haalde diep adem en veranderde vervolgens, als een beeldreeks in enkele seconden, zijn ogenschijnlijk fysieke gedaante in allerlei goden die de journalist duidelijk herkende van afbeeldingen, meer nog dan hij deze God had herkend.
‘Niemand weet dat ik Repelsteeltje heet,’ zei het Opperwezen, eenmaal teruggekeerd in zijn eigen gedaante. Hij stak een vinger in de lucht en draaide er dronken rondjes mee, terwijl hij die ene korte zin bleef herhalen totdat hij in een hoestbui uitbarstte, waardoor Petrus toe moest schieten om hem een schone zakdoek aan te reiken.
Opperwezen of geen Opperwezen, dit ging de journalist te ver en hij liep met zijn vinger door het notitieboekje totdat hij een vraag vond die hij uit beleefdheid doorgestreept had. Vervolgens begon hij gedecideerd met uitgerekend die vraag.
‘Hoe is het mogelijk dat u de Holocaust heeft toegestaan? Het was nota bene uw eigen uitverkoren volk.’
‘De Holo-wat?!’
‘De dood van zes miljoen Joden in vernietigingskampen tijdens het Derde Rijk.’
Het Opperwezen keek van de journalist naar Petrus, die als een rietje stond te trillen. Hij leek op slag nuchter te worden en zei met een rood hoofd: ‘Dus dat was weer zo’n iene-mienie-feitje waar ik niet mee lastiggevallen hoefde te worden? Nare pisnicht! Mijn eigen mensen, godverdomme!’
Hij pakte de fles Johnny Walker en wierp die in de richting van Petrus. Hij miste hem op een haar en vervolgens gebeurde iets wat niemand had kunnen voorzien. De hele omgeving van het Opperwezen veranderde in een grote paarse bel die met een donderende klap explodeerde.
Petrus had nog net ‘Opstijgen!’ kunnen roepen voordat ze tientallen meters door de lucht geslingerd werden door de schokgolf van de explosie.
Petrus en de journalist zouden nog lang napraten die dag.
‘Het waren eerst niet eens zo heel veel Joden, hoofdzakelijk gehandicapten en communisten, dus ik dacht dat ik dat beter voor me kon houden. Je moet weten dat ik van hem hou en ik zie hem niet graag drinken van verdriet. Bovendien gaat hij dan zijn heil weer zoeken in de slaapkamer van Judas en dan moet ik weer luisteren naar de verhalen dat Judas zoveel beter in bed is en dat hij tenminste niet aarzelt om hem de waarheid te vertellen, wat op zijn zachtst gezegd een beetje vals is, want Judas wist ook van de Holocaust. Maar die viel weer op die uniformen en dacht: het loopt wel los daar in Duitsland. We hebben immers allemaal goed contact met beneden. Alleen hij niet. Waarom weet ik niet. Misschien wil hij bepaalde dingen gewoon niet weten. Misschien doen ze hem gewoon te veel pijn.’
‘Ja, dat is allemaal mooi en aardig,’ zei de journalist. ‘Maar hoe moet het nou verder met mij?’
‘Jou sturen we gewoon terug,’ zei Petrus. ‘Voorlopig heb je meer dan genoeg ellende veroorzaakt.’
‘Maar met alles wat ik nu weet?’
‘Ach, er is geen mens die je gaat geloven. Maak je niet druk.’
De foute jongen veegde de vellen bijeen en liep naar het lokaal van Bosch, die helaas al naar huis was. Hij legde het twaalf pagina’s tellende opstel op de hoek van zijn bureau en legde er voor de zekerheid een schutblad op met zijn naam.
(Wordt vervolgd)
Hans van der Kamp