Geplaatst op

Moeder en zoon

Ik was voor iets heel anders aan het werk, toen ik deze moeder en zoon zag, tenminste dat neem ik aan. Het is zo’n foto waarvan ik denk dat het vele malen beter had gekund, maar ik stond daar om een andere serie te maken. Dat is mijn enige excuus.

Geplaatst op

Recht in de lens

Ik vind het als studiofotograaf fijn als mensen pal in de lens kijken als ik ze op straat fotografeer. Vooral als ik er een stevige etalageruit tussen mij en de camera zit. Ik heb het gevoel dat ik een van de twee moet kennen, maar geen idee waarvan.

Geplaatst op

Nikita

Als mensen me echt uit mijn comfortzone willen halen, dan moeten ze mij, als studiofotograaf, uitnodigen om buiten te fotograferen. Als het dan ook nog sexy moet zijn, dan krijg ik het helemaal benauwd. Model Nikita lukt dat en ik verbaas me dan over de resultaten.

Geplaatst op

Bewondering

De meeste bewondering koester ik voor fotografen die de verleiding van inkomsten hebben kunnen weerstaan en ondanks dat een groot publiek hebben weten te boeien. Dan denk ik dus niet meteen aan bijvoorbeeld Helmut Newton, wiens werk ik weliswaar enorm kan waarderen, maar ik kan hem niet anders zien dan in het licht van goed zakendoen. Ik heb Newton slechts een keer gesproken en dat was nog per telefoon ook. Ik wilde hem interviewen, maar dat kon niet, want hij had voor een goed bedrag exclusiviteit verkocht aan Vrij Nederland of NRC. In dit land betalen we bij serieuze nieuwsuitgaven niet voor journalistieke medewerking, maar hem was het toch gelukt. Ondanks deze voor mij zure constatering, werd het een lang en prettig gesprek. Newton was een uiterst charmante man. Dit in tegenstelling tot onze eigen grootheid Erwin Olaf, die ik ook zeer waardeer, maar toch veel karaktertrekjes heeft van een oude zeur. Ik mis ook iets in zijn werk. Empathie, misschien. Zijn werk van de laatste jaren is killer geworden dan zijn oudere werk. Afstandelijker. Het zal met zijn persoonlijke ontwikkeling te maken hebben en dat maakt het werk voor anderen waarschijnlijk juist weer krachtiger. Overigens wil ik zeker niet ontkennen dat hij een van de beste fotografen is die dit land heeft voortgebracht.

Hoe ouder ik word, des te meer raak ik ontroerd door de echt slechte foto’s die ik in de jaren zeventig heb gemaakt, zoals dit snapshot van een vriendin die nog lag te slapen, terwijl ik al een uur of wat wakker was:

© Hans van der Kamp – 1975

De foto is niet geregisseerd, zoals bij mij gebruikelijk is. Kennelijk is de film even kort door een bijna onverdund soepje Rodinal gehaald, waardoor de afdruk enorm korrelig is, maar de foto roept – in ieder geval bij mij – een eindeloze reeks emoties op, al vind ik vanuit technische en compositorische redenen vrijwel alles fout aan die foto.

Toch herinnert het me ook aan hoe ik langzaamaan de weg kwijtgeraakt ben in de fotografie. Wat ik in die periode deed was simpelweg vastleggen wat er in mijn leven gebeurde en dat deed ik zonder enig besef van wat ik met mijn fotografie beoogde.

Toen dat besef langzaamaan wel kwam, werd alles wat ik deed ook meteen een stuk kunstmatiger. In 2000 heb ik een foto gemaakt, in een grote studio met alle toeters en bellen, die exact lijkt op bovenstaande foto, maar toch bijna verzuipt in vrijblijvendheid. Die foto doet het goed op exposities, dat wel, maar er kleeft een zekere onechtheid aan.

Ook ik heb natuurlijk als jonge fotograaf mijn geld moeten verdienen en moeten leren nadenken wat paste bij een bepaald medium en gaandeweg sleep je steeds meer visie van anderen met je mee, of je wordt in een hokje geduwd, waar je uit angst brodeloos te worden, niet meer uit durft te komen.

Vandaar die bewondering voor fotografen die dat gewoon niet hebben laten gebeuren en dan denk ik aan Eva Besnyö, Ed van der Elsken, Ralph Gibson, Henri Cartier Bresson en zovele anderen.

Geplaatst op 3 reacties

De verfbom

Mike von Bibikov, kraker en activist

Of het in 1979 of 1980 gebeurde, dat weet ik niet meer. Ik herinner me dat ik, voor mijn doen, vroeg was opgestaan, want ik ging naar het gebouw van de Geïllustreerde Pers op de Stadhouderskade om een voorschot te innen op een reportage waar ik nog geen foto voor had gemaakt. Dat was nu eenmaal mijn manier van werken. Ik had een drukbezet nachtleven en was het geld eenmaal op, dan ging ik nieuw geld halen door een idee in te dienen bij de redactie van de Nieuwe Revu. Pas daarna ging ik daadwerkelijk aan het werk en met volle overgave. Ik besteedde veel meer dagen aan mijn reportages dan de meeste collega’s en ik raakte steevast al mijn onkostenbonnetjes kwijt, dus al met al was ik weliswaar té speels en té genotzuchtig te noemen, maar echt duur voor de redactie was ik niet.

In die tijd was er nog echt een kassabalie met een kassier in het gebouw en daar stond ik dan met een opdrachtbonnetje van de redactie. Voor mij in de rij stond Stan H. van Radio Stad Amsterdam ook een bedrag te innen en dat verbaasde mij, want er zaten meer redacties in het gebouw, maar niemand had iets met radio te maken.

Op weg naar de uitgang liep ik nog even naar de redactie om een pilsje te pakken uit de koelkast, waar toen nog een A4-tje op hing met de tekst ‘Vóór 12:00 geen sterke drank!’. Zoiets is ondenkbaar nu, maar toen was dat vrij normaal.

Ik vroeg terloops wat Radio Stad Amsterdam in het pand deed en ik zag de koppen van de redacteuren oplichten. ‘Er komen rellen vanavond! Glimmerveen gaat vergaderen in hotel-restaurant Die Port van Cleve en we gaan de kraakbeweging inlichten. We moeten die fascist een lesje leren! Op tafel lagen de flyers al klaar. Ik keek ernaar en het was eigenlijk niet meer dan een kort persbericht waar iemand een anarchistenteken op had geplakt. Dat velletje papier zou nog een paar honderd keer gefotokopieerd worden en dan zou Stan zorgen dat die bij de belangrijkste krakersbolwerken afgeleverd zouden worden.

‘Wat zal die Glimmerveen opkijken, als straks de hele kraakbeweging hem staat op te wachten!’ riep de redacteur van Foto’s, Nieuws en Feiten opgetogen.

Nu weet waarschijnlijk niemand meer wie Glimmerveen was, maar hij was een populistische politicus die zich, vanuit deze tijd bekeken, qua politiek ruim ter linkerzijde van Dijkhoff, Baudet en Wilders bevond.

Stan H. verdient inmiddels ook wat toelichting. Hij zit nu regelmatig op Facebook pogingen te doen om gerapporteerd of geblokkeerd te worden, maar toen had hij een belangrijkere functie. Met zijn Radio Stad Amsterdam verving hij bij krakersrellen min of meer de functie van social media nu. Krakers en op rellen beluste sympathisanten wisten via dat radiokanaal wat de bewegingen van de politie waren, hoe die te omzeilen en wat de beste plekken waren voor een confrontatie.

In dit specifieke geval leverde Stan H. een rel op bestelling aan. Journalistiek maatwerk, zeg maar.  Nog wel pal voor deadline ook, zodat andere tijdschriften en misschien zelfs de Telegraaf het nakijken zouden hebben. De sfeer op de redactie was uitgelaten.

Mijn eerste flappen voorschot werden, zoals de traditie dat nu eenmaal wilde, uitgegeven aan zaken waar ik hier niet dieper op in hoef te gaan, maar al banjerend door de stad zag ik overal krakers lopen met dat papiertje in hun hand.

Ik besloot de redactie vanuit zo’n oude telefooncel te bellen en vroeg of ik bij Die Port van Cleve mocht fotograferen. Daar werd wat lacherig op gereageerd, want er liepen al genoeg fotografen van ons rond, maar als ik dat zo graag wilde, was dat wat hen betreft geen probleem. Ik was immers een studiofotograaf en zeker geen echte persfotograaf, dus niemand verwachtte dat ik met interessant materiaal zou terugkeren.

Glimmerveen zou ‘s avonds in Die Port van Cleve arriveren, maar al om een uur of vijf konden er bijna geen trams meer passeren op de Nieuwezijds Voorburgwal. Het zag zwart van de krakers die alvast begonnen waren het straatmeubilair af te breken en uiteraard kwam de politie in vrijwel even grote getale opdagen met schel blaffende honden. Ik herinner me een wijze, oude agent die met een walkie-talkie vergeefs het hoofdbureau probeerde te overtuigen dat de politie-aanwezigheid daar op dat moment de zaak alleen maar verergerde.

Het werd een stand-off. Beide partijen beschikten over megafoons en schreeuwden elkaar toe, terwijl de spanning bleef oplopen. Af en toe vloog er een baksteen door de lucht. Ik wist mij door de menigte naar de portier van Die Port van Cleve te wringen om hem te vragen of er eigenlijk wel een vergadering met Glimmerveen ingepland was. Daar kon hij ‘beroepshalve’ geen antwoord op geven. Ik gaf hem een fikse fooi en toen kon hij wel bevestigen dat er voor de hele avond geen enkele vergadering was ingepland.

Inmiddels was het acht uur geweest en alle trams kwamen tot aan het CS vast te staan. De ruimte tussen politie en krakers was nu nog slechts een paar meter en in dat niemandsland opereerden wij. De situatie werd dusdanig bedreigend dat er beelden op het journaal verschenen. Dat moet ook het moment zijn geweest dat Glimmerveen voor het eerst hoorde dat hij een vergadering in Die Port van Cleve zou hebben. Drie kwartier later kwam hij in een taxi, of misschien in een gewone auto met chauffeur, voorrijden. Hij stapte uit en riep met gebalde vuist wat leuzen naar de menigte en de politie schoot pijlsnel toe om de politicus in veiligheid te brengen en af te voeren.

Dat zette kwaad bloed bij de krakers die zichzelf als ‘goed’ zagen en Glimmerveen als ‘fout’. Kortom de menigte vond dat ‘de fascist’ in bescherming werd genomen, terwijl de krakers honden op zich afgestuurd kregen. Ik was uiteraard niet op tijd bij de auto van Glimmerveen om een foto te maken, maar ik belandde daardoor wel samen met de cameravrouw van de NOS in het segment naast de Nieuwe Kerk, waar de eerste schermutselingen tussen ME en krakers begonnen. Op televisie en nu op filmpjes van burgerjournalisten krijg je niet goed mee met hoeveel lawaai zo’n clash gepaard gaat en hoe beangstigend dat is.

Na een houw van een wapenstok over mijn voorhoofd, volgde een enorme knal en meteen was het volledig stil in mijn hoofd. Ook kon ik in het geheel niets meer zien. Ik bracht mijn handen naar mijn hoofd en dacht bloed te voelen. Ik veegde dat ‘bloed’ uit mijn ogen en ik zag dat een ME-er met een bespat scherm de cameravrouw van de NOS een paar klappen met een wapenstok gaf. Haar camera viel en werd opzettelijk kapot getrapt door de ME. Dat moet ook zo ongeveer het moment zijn geweest dat ik mij realiseerde dat we in het epicentrum van een fikse verfbom hadden gestaan, want ik zag nu ook dat iedereen om ons heen witte klodders verf op zijn lijf had. Hoewel ik inmiddels wel weer kon zien, was ik nog steeds stokdoof. Ik begon te schreeuwen, willekeurige klanken, in de hoop iets te horen, bang als ik was voor altijd doof te blijven. Toen dat niet het gewenste resultaat had, zakte ik door mijn knieën en begon hysterisch te huilen. Ik weet nog dat ik, ondanks mijn hysterie, vooral ook bang was dat collega’s zouden zien wat voor slappeling ik was. Dat ze me zouden uitlachen, maar in plaats daarvan haastten drie fotografen zich naar me toe, droegen me naar een café, waar ze me geruststellend toespraken en de ene na de andere jenever in mijn keel goten om me weer rustig te krijgen.

‘Altijd vanuit de zijstraatjes werken,’ zei de oudste van hen, terwijl hij met proppen toiletpapier de verf van mijn gezicht verwijderde. ‘Eerste keer?’

Ja, het was de eerste keer en meteen ook de laatste. Een redacteur nam me de volgende dag apart en ik wilde mijn verhaal vertellen, maar hij onderbrak me en zei: ‘Je kunt mooi meisjes fotograferen, maar dit is duidelijk niets voor jou.’

Ik zou nooit meer rellen fotograferen.

Geplaatst op

Het koffertje

Ik heb veel eigenaardige gewoonten en een daarvan is het verzamelen van fotokoffers. Niet alle fotokoffers, alleen exemplaren van aluminium uit de jaren zeventig. Avonden lang kan ik Marktplaats afspeuren op zoek naar die koffertjes waar niemand de waarde van inziet, maar die mijn hart sneller doen kloppen.

Ooit gebruikte ik die koffers en sinds ik ook camera’s, waar ik in het verleden mee heb gewerkt ben gaan verzamelen, ontstaat in mijn werkkamer een muur van koffers, die in de verte doet denken aan de foto’s die je wel eens ziet van herdenkingsvitrines in concentratiekampen. De hitte- en vochtbestendigheid van die koffers maakt ze overigens ook ideaal voor het opzetten van een archief van kwetsbare documenten en opslagmedia, en daar ben ik dan ook druk mee bezig. 

Die koffers kosten, zoals ik al stelde, vrijwel niets dus de verkopers leuken ze wat op met in onbruik geraakte flitsers en bijzonder slechte analoge camera’s van de merken Praktica, Petri of Revueflex. In het begin vroeg ik de aanbieders dan of ze die camera’s zelf in de vuilnisbak wilden gooien of ik dat voor ze zou doen. Dat bleek al snel een foute benadering. Ook verkopers van rotzooi hebben zo hun eigen ethiek.

Hoewel ik meestal aluminium koffers gebruikte, heb ik een periode van twee of drie jaar ook een leren koffertje gehad, maar dat was in de tijd (1978) dat ik het aanschafte al ‘vintage’ was, dus de kans dat ik precies zo’n koffertje zou vinden was vrijwel nihil. Maar gisteren vond ik toch een koffertje dat vrijwel identiek was en van hetzelfde merk is.

Ik zat naar de foto’s die de verkoper geplaatst had te staren en vroeg me af hoe het mogelijk was geweest dat ik op mijn vele reizen naar de USA eind jaren zeventig en begin jaren tachtig uitsluitend dat koffertje bij me had als bagage. Er paste precies een Nikon F2 in, een Walkman, wat schone onderbroeken, sokken en twee T-shirts, die ik kennelijk in wasbakken op hotelkamers uitspoelde. En die spijkerbroek die ik aanhad, ging kennelijk rustig een maand mee. Af en toe ging ik er even mee onder de douche staan. Ik neem aan dat ik de See-Buy-Fly-tas van de tax free op Schiphol gebruikte om nog wat kleine dingen, naast de twee sloffen Camel zonder filter en de flessen whiskey, te vervoeren. Toch kan ik me niet herinneren ergens gebrek aan gehad te hebben. 

Als ik nu twee dagen naar bijvoorbeeld Utrecht ga, dertig kilometer verder van huis, dan heb ik een rolkoffer van dertig liter bij me plus een camerakoffer. Van alles wat ik dan bij me heb, gebruik ik vrijwel niets, maar desalniettemin ben ik altijd op z’n minst een of twee essentiële zaken vergeten.

Op de een of andere manier is mijn leven met de komst van honderden zaken die het leven makkelijker moeten maken toch oneindig veel gecompliceerder geworden. Als ik de oplader van mijn telefoon niet vergeten ben, dan mist er in mijn koffer met fotoapparatuur wel een accu of een geheugenkaartje.

De volgende keer dat ik op pad ga, zal ik proberen die oude manier van leven na te spelen, door gewoon alleen het recentelijk aangeschafte leren koffertje met me mee te nemen en een plastic tasje. Kijken of ik mij onderweg dan beter kan concentreren op zaken die echt essentieel zijn.

Niet dat ik in algemene zin nog zou kunnen leven zonder de gemakken van nu. Daar staat me nog veel te goed voor bij hoe ik ooit een maand vastzat op een hotelkamer in Los Angeles, omdat mijn camera het begeven had en ik, om de productie voor Nieuwe Revu niet in gevaar te brengen, een vervanging had moeten aanschaffen, met als direct gevolg dat mijn American Express traveller cheques op waren geraakt en de redactiesecretaresse via de Telex geld moest overmaken naar het dichtstbijzijnde kantoor van Wells Fargo. Het duurde iets meer dan een maand voordat het geld arriveerde en ik weer aan de terugreis kon beginnen.

Ik kan me niet herinneren dat de redactie moeilijk deed over de hotelrekening die tot ongekende hoogte was opgelopen. Wel weet ik nog heel goed dat ik sinds die dag nooit meer een opdracht van ze heb gekregen en over moest stappen naar Panorama, waar ik mij in het geheel niet thuis voelde.

Geplaatst op

Fotograaf en model (1)

Veel voorkomende situaties, ingedikt tot een enkele dialoog

Model: Mijn vorige fotograaf begon zich aan het einde van de shoot af te trekken. Dus nu vertrouw ik niemand meer. Ik neem mijn tante en mijn zus mee naar de foto shoot, want die hebben altijd hele goede ideeën en mijn zus wil later visagist worden dus zij helpt met mijn make-up. Omdat we zoveel spullen bij ons hebben, rijdt mijn broer ons met het busje van zijn werk, dus die kan moeilijk de hele middag op de stoep wachten, dus hij komt ook ‘ff’ mee.

Fotograaf: Fotograaf is een beroep en elke fotograaf is afhankelijk van zijn of haar modellen. Dat betekent dat hij liever geen verhalen in de wereld helpt zoals jij die nu vertelt. Dat staat haaks op zijn belangen. Het zal andere modellen ervan weerhouden met hem te willen werken.
Twee vragen aan jou: Heb je die fotograaf betaald? En heb je aangifte gedaan?

Model: Nee, aangifte doen heeft geen zin in Nederland. Maar wat heeft dat hij zich aftrok te maken met of ik hem wel of niet betaald heb? Ik had zijn werk op Instagram gezien en ik vond het echt awesome, dus ik heb hem gevraagd en hij zei meteen ja. We hebben niet eens over geld gesproken.

Fotograaf: Aangifte doen in Nederland heeft altijd zin. Het zal niet altijd zo zijn dat er meteen een rechercheteam op de zaak gezet kan worden, maar je aangifte zorgt ervoor dat je ‘fotograaf’ bij herhaling van zijn acties diep in de problemen komt en daarmee help je andere modellen. Je hoeft ook met een fotograaf in principe niet over geld te spreken, maar wel altijd over de voorwaarden. Wat wil jij met het werk gaan doen en wat wil hij met het werk gaan doen? Dat zou altijd je eerste vraag moeten zijn.

Model: Nou, ik heb 72.000 volgers op Instagram en hij 300, dus dat lijkt me nogal duidelijk. Hij heeft er alleen maar voordeel aan. Mijn zuster die visagie wil gaan doen, heeft nu vanuit het niets achthonderd volgers op haar visagie-account gekregen. Door mij, natuurlijk.

Fotograaf: Misschien is er een verschil tussen beroepsfotografen en amateurfotografen, waarmee ik niet wil zeggen dat beroepsfotografen per definitie beter werk afleveren, maar je zou je kunnen verdiepen in de achtergrond van een fotograaf om te voorkomen dat je nare ervaringen hebt.

Model: Dat doe ik toch? Ik volg ze allemaal op Instagram.

Fotograaf: [zucht] Ik denk dat je in dit geval beter een andere fotograaf kunt kiezen. Ik heb geen zin de ideeën van je zuster en je tante uit te werken. Het moet voor mij ook nut hebben en de foto’s die jij wilt hebben zijn geen uitdaging voor mij. En al helemaal niet als onbetaald werk.

Model: Nou moe, jij denkt geloof ik dat je echt wat bent met je 500-nogwat volgers op Insta.

Fotograaf: Nee, ik denk dat ik wat ben omdat ik voor dit vak ben opgeleid, over de hele wereld tentoonstellingen en publicaties heb gehad, terwijl jij alleen nog in lingerie met je kont hebt lopen draaien en 100.000 rukkers bij elkaar hebt gefloten om vervolgens te denken dat je van de rest van je familie de Kardashians kunt maken.

Model: Krijg nou wat… Jij bent écht niet goed bij je hoofd!

Fotograaf: […]
 

Geplaatst op

Gender!

Er is één vraag in het bijzonder over mijn werk die ik nooit heb kunnen of willen beantwoorden en dat is de vraag waarom nu juist dit specifieke thema in mijn fotografie er al was voor mijn twintigste en zelfs doorloopt tot nu.

Tot mijn eigen verbazing heb ik die vraag pas serieus geprobeerd te beantwoorden bij het samenstellen van deze derde wat grotere tentoonstelling over gender. De eerste tentoonstelling was eind jaren zeventig en heette Mimicry een term uit de biologie over geslachtsverandering. Die eerste tentoonstelling kwam niet verder dan een of twee coffeeshops en mag een flop heten, al hebben de beelden uit die serie door het verloop van de tijd een toegevoegde waarde gekregen . De tweede wat grotere expositie eind jaren negentig heette Gender Benders, en daar sprak veel van mijn eigen liefde voor het onderwerp uit. Die serie of delen ervan zijn met tussenpozen bijna vijftien jaar lang geëxposeerd of gepubliceerd.

Deze laatste tentoonstelling Gender! is een nieuwe selectie uit werken die vanaf 1976 tot 2020 gemaakt zijn. Ik heb even geflirt met de gedachte dat dit de laatste tentoonstelling zou worden, maar vorige week nog was ik alweer druk bezig nieuwe fotosessies met precies dit beproefde thema in te plannen.

In de tussentijd heb ik ook besloten dat het tijd werd dat ik die vraag nu eens, al was het alleen maar voor mezelf, te beantwoorden en bij mijn zoektocht langs fragmenten uit mijn jeugd die me nog helder bijstaan in beeld of in tekst kom ik niet om mijn moeder heen.

Zij had liever een dochter gehad en dat stak ze niet onder stoelen of banken. Misschien was ze als de vrome katholieke vrouw die ze toen nog was zelfs lichtelijk verbaasd dat haar gebeden niet waren verhoord.

Maar wat God in zijn almacht niet bereiken kan, dat is voor een intelligente en gemotiveerde moeder een peulenschil. Ze was een kleine maar krachtige vrouw die bovendien een begaafd coupeuse was. Ze kon naar een foto van Jacky Kennedy kijken en vrijwel tegelijkertijd uit een krant een patroon knippen om vervolgens drie dagen later in precies zo’n mantelpakje te lopen.
Sportief was ze ook en zodra de zon maar even achter de wolken vandaan kwam, nam zij mij als peuter achterop de fiets mee naar Bloemendaal Aan Zee en het verhaal wil dat ik tijdens deze ritten nodeloos de aandacht trok van andere weggebruikers omdat ik een lichtroze damesbadmuts droeg met felblauwe rubberen bloemen.

Bij leven vertelde mijn moeder die anekdote aan iedereen die het maar wilde horen als bewijs dat zij mij in mijn excentriciteit altijd alle ruimte had geboden, meestal gevolgd door de overpeinzing; ‘Misschien heb ik hem toch te veel vrijheid gegeven.’

Wat zij er echter niet bij vertelde was dat er voor mij geen andere keuzes waren als hoofddeksel dan die badmuts. En al de jongens die we onderweg naar het strand passeerden hadden wel matrozenpetjes, welpenpetjes, padvinderspetjes, of zelfs hele stoere kapiteinspetten op.

Al snel stond ik ook in de door mijn moeder genaaide outfits voor zeer jonge bruidsmeisjes te poseren. Dat kwam goed uit want een paspop van die maat had ze niet. Ook liet ze mij met boeken op het hoofd door de woning paraderen voor de juiste loophouding. Ze begon met Tolstoi’s Oorlog en Vrede en toen dat boek ook bij het omdraaien niet meer van mijn hoofd gleed voegde zij daar eerst Anna Karenina aan toe en later de Gebroeders Karamasov aan toe.

Het leek bijna vanzelfsprekend dat ik op ballet zou gaan, maar daar stak mijn vader een stokje voor.

Toch kon haar opvoeding niet verklaren waarom ik nog steeds geen baardgroei kreeg toen andere jongens dat al wel hadden en ook dat dat de winkelier op de hoek mij stug, tegen beter weten in, dagelijks met juffrouw bleef aanspreken.

Ik zou met enige pathos kunnen stellen dat ik daar zwaar onder geleden heb, maar dat was in het geheel niet zo. Misschien zat het gebrek aan baardgroei me wel dwars omdat mijn jeugd zich immers in de jaren zeventig afspeelde en zonder gordijntjeshaar en op z’n minst een snor of baard voelde je je al snel buitengesloten.

Mijn moeder mocht van mijn vader geen betaalde baan hebben, dus in plaats daarvan koos zij ervoor – waarschijnlijk ook een beetje om hem op nette wijze van repliek te dienen – om in het bestuur van de Emancipatieraad plaats te nemen.
Mijn ouderlijk huis zat opeens bijna dagelijks vol met sigaren rokende dames die de revolutie predikten, maar nooit te laat vertrokken om op tijd voor de van school komende kinderen thuis te zijn.

Haar werk voor de Emancipatieraad vroeg om het schrijven van artikelen en toespraken en dat ging haar niet makkelijk af . Al bij het eerste artikel werd mijn hulp ingeroepen en zo kwam het dat ik op mijn vijftiende achter een op de Duitsers in de Tweede Wereldoorlog buitgemaakte Royal typemachine het ene na het andere manifest eruit hamerde.
Het spreekt voor zich dat mijn moeder in het begin achter mij stond te dicteren, maar al snel werd ik slechts met een paar trefwoorden naar mijn zolderkamertje gestuurd en las zij de tekst alleen nog na en kwam ze met suggesties voor wijzigingen of toevoegingen.

Mijn vader begon zich steeds meer buitengesloten te voelen en steeds vaker ging hij zichzelf ‘van binnen bekijken’ wat zijn vaste benoeming was voor een dutje doen op de bank.

Mijn moeder daarentegen bloeide helemaal op. De naaimachine stond inmiddels stof te happen op de vliering en haar nieuwe wapen werd de telefoon. Uren was zij dagelijks in conclaaf met gelijkdenkenden en omdat haar ambitie niet meer te temmen was nam zij ook de rol van voorzitter van het Katholiek Vrouwengilde op zich. Mijn vader sputterde tegen beter weten in nog wat na over de tegenstrijdige belangen van Emancipatieraad en Katholiek Vrouwengilde, maar het hek was van de dam.

Ook om zijn suggestie dat het fonduestel een uitvinding was van feministen die een samenzwering waren gestart om mannen zelf hun eigen voedsel laten te bereiden werd in mijn moeders aanwezigheid niet meer gelachen.

Nu mijn vader niet meer echt interessant was als sparring partner voor mijn moeder, richtte zij haar pijlen op de pastoor van onze parochie die er in haar ogen maar een potje van maakte met zijn door beatmuziek opgevrolijkte Heilige Missen en onverbloemde sympathie voor de vredesbeweging. Om maar te zwijgen over zijn voorzichtige pogingen zijn eigen seksuele voorkeur voorzichtig bespreekbaar te maken.

Dat alles werd door mijn moeder, die zelf oorlogsslachtoffer was, hard afgestraft. Werd ik weer met twee of drie trefwoorden de trap opgestuurd voor weer een nieuwe toespraak, dan werd mij nog nageroepen: ‘En niet stiekem weer wat van die ban-de-bom-flauwekul erin verwerken, Hans!

Van mijn moeder heb ik geleerd dat een mens best twee of drie parallelle of zelfs tegenstrijdige levensovertuigingen kan naleven.

Maar mijn rol als spookschrijver was snel uitgespeeld. Ik kwam in conflict met mijn vader, omdat ik mij stiekem had ingeschreven voor de filmacademie en zelfs aangenomen was ondanks het absurd hoge aantal inschrijvingen. Dat betekende dat ik het gymnasium niet af zou maken, maar over zou stappen. Mijn vader zag een arts of een wetenschapper in mij en de filmacademie dat vond hij een veredelde huishoudschool.

Zo kwam dat ik op een avond wat persoonlijke bezittingen over de heg gooide en via het balkon naar buiten klom om te gaan liften naar de grote stad waar ik tegen een leraar Engels met een toupet aanliep die mij liefdevol opnam in zijn huis dat hij omschreef als een studentenhuis, maar in werkelijkheid werd het huis slechts bewoond door jongetjes die hij ergens had opgepikt. Allemaal waren ze van mijn leeftijd en hadden ze een zekere vrouwelijke uitstraling.

De jongens spraken een taal die ik niet kende met uitspraken die ik nooit eerder gehoord had. Was de koelkast leeg dan stond er een jongetje voor dat met groot ongenoegen uitriep: ‘Krijg nou herpes, de Chocomel is op.’ Kwam er een nieuw iemand binnen die niet bepaald over de ideale gelaatstrekken beschikte dan was er altijd wel iemand die: ‘Jouw kop zou onder Monumentenzorg moeten vallen’ riep.

Alle jongens waren homoseksueel en als ik zei dat ik hetero was dan begonnen ze onbedaarlijk te lachen, terwijl ik beteuterd toe stond te kijken. Ik had toch écht een vriendin. Wat? Ik had er wel twee of drie.

Hoewel het woord commune een scheldwoord was in ons ‘studentenhuis’ deden we vrijwel alles gezamenlijk. Eten, drinken en uitgaan. Maar vooral ook deelnemen aan de feestjes die Gilbert, onze huisbaas, organiseerde.

Feestjes die anders waren dan ik ze kende. Voor de veertigste verjaardag van Gilbert werd mij de rol van bitterbaldame toegewezen. Ik herinner me niet dat ik mij daar tegen heb verzet. In weinig tijd werd ik met wat mascara en het touperen van mijn haar plus een outfitje dat van een buurmeisje geleend was omgetoverd tot bitterbaldame.

Doodnerveus liep ik het feestje binnen met mijn schaaltje bitterballen. Ik kende vrijwel niemand in de kamer, maar niemand leek ook op te kijken van mijn verschijning. Gelukkig zag ik achterin een jongen die ik wel kende en zo gracieus mogelijk liep ik, een paar graaien ontwijkend, met mijn schaaltje bitterballen op hem af.

Het gesprek met hem wilde niet vlotten en het duurde langer dan voor mij nodig zou moeten zijn geweest om te begrijpen dat hij mij, opgetut als ik was, in het geheel niet herkende en dat gevoel was magisch. Ik bestond en ik bestond tegelijkertijd ook niet. Alle onvrede die ik met humor en relativering diep had weggestopt smolt weg en ik was opeens ook niet meer zo heel ernstig hetero meer.

Die blijdschap en opluchting maakten snel plaats voor een minder prettig gevoel, want hoe ik ook mijn best deed om vanaf dat moment als homoseksueel door het leven te gaan, wat voor de bitterballendame een makkie was geweest, bleef ik als Hans zonder opsmuk ook seksuele gevoelens voor vrouwen houden, met als gevolg dat ik mijzelf in het vakje biseksueel moest indelen.
Dat was eigenlijk heel makkelijk in een tijd dat androgine personages als David Bowie, Lou Reed en Iggy Pop populair waren, maar minder makkelijk was het in wat we nu de gay scene zouden noemen.

Vooral in mijn vrijwilligerswerk voor het COC werd ik in die tijd regelmatig aangevallen op mijn geaardheid. Biseksualiteit bestond eenvoudigweg niet in de ogen van het bestuur en regelmatig werd de vraag gesteld of het wel verantwoord was om iemand zoals ik die niet echt uit de kast durfde te komen, eigenlijk wel geschikt was om voorlichting te geven op scholen over homoseksualiteit.

Het werd uiteindelijk een bitter conflict. In landelijke vergaderingen begon ik het aantal discriminerende opmerkingen over hetero’s en biseksuelen te turven en die aan het bestuur voor te leggen. Kortom, mijn werk bij het COC, kwam snel tot een einde en heel eerlijk gezegd zal ik hun houding van toen tegenover mensen zoals ik nooit vergeten of vergeven.

Ik stel het hier nog eens ten overvloede. Biseksualiteit is geen overgangsfase zoals indertijd door velen werd gedacht, want ik wacht nu al 46 jaar op die overgang en ik heb me in de tussentijd heel gezond gevoeld.

We leven in een maatschappij die gebouwd is op een Grieks ideaal van rechtvaardigheid en dat noemen we democratie en hoewel velen democratie vertalen als de stem van het volk, of de doorslaggevende beslissingskracht van de meerderheid, zou die stem van het volk toch voor iedereen binnen dat volk dezelfde rechtvaardigheid moeten kunnen bieden.

We kunnen onszelf wijsmaken dat we een heel tolerant land zijn dat als eerste het homohuwelijk mogelijk maakte en waar politici en bekende Nederlanders ongestraft voor hun seksuele geaardheid uit kunnen komen, maar we zijn er nog lang niet.
Voor iedereen die ik gefotografeerd heb en die nu in deze tentoonstelling al dan niet vertegenwoordigd is, kortom voor iedereen met een hoogstpersoonlijke genderidentiteit of -beleving geldt dat het leven nog steeds veel meer obstakels bevat dan voor hen die om het bot te stellen tot de grootste gemene deler behoren. Dat betekent in de praktijk meer moed, meer overtuigingskracht en meer inzet, alleen maar om gewoon jezelf te zijn.

Het is zeker niet zo dat het voldoende is om erkenning te krijgen in sociaal-maatschappelijke of juridische zin. Je moet ook nog veilig over straat kunnen, je moet dezelfde kansen kunnen krijgen en zo ver zijn we met z’n allen nog lang niet. Er is op veel vlakken zelfs sprake van een groeiende intolerantie en dan heb ik met name over zowel de veiligheid op straat als de veiligheid op social media.

Het ligt zo makkelijk voor in de mond: ‘Gewoon jezelf zijn.’ Voor de een betekent dat wat vaker uitslapen in het weekend, voor de ander betekent het elke dag weer alle moed bijeenschrapen om over straat te gaan, of om de persoonlijke berichten op social media vol haatdragende opmerkingen te lezen.

Aan de mensen die door de tijden heen die enorme moed hebben weten op te brengen, draag ik deze expositie op.